Palestijnen hebben een zeer rijke agrarische traditie. Olijfbomen groeien al meer dan 6000 jaar in Palestina. En een groot deel van het ontstaan van de Europese landbouw ligt in de éVruchtbare Halve Maané, waartoe Palestina behoort. Olijven, sesam, tarwe en kikkererwten worden er sinds mensenheugenis verbouwd en ook ezels, geiten en schapen vinden er hun oorsprong. Door de variatie in klimatologische omstandigheden is er een grote verscheidenheid aan producten: granen, olijven, citrus-vruchten, dadels, bananen. Palestijnen boerden van oudsher heel goed. Niet voor niets staat Palestina ook wel bekend als ´Het Land van Melk en Honing´.

(Palestijns boerengezin bij Rammalah in de jaren 1900-1910)
Boeren verbouwden een veelheid aan producten en verbouwden bijna alles wat ze nodig hadden.
Ook in Palestina is er in de loop van de afgelopen eeuw veel voor de boeren veranderd. De westerse hang naar modernisering en rationalisering had ook hier z´n invloed. Traditionele Palestijnse geitenrassen leefden bijvoorbeeld van de begroeiing onder de olijfbomen. Door de vooruitgang werden deze vervangen door Europese geiten die meer melk geven maar ook duur krachtvoer nodig hebben. De ondergroei (onkruid) onder de olijfbomen werd simpel met gif weggespoten. Zo ontstond een verarming van de landbouwcultuur en een grotere afhankelijkheid van minder gewassen.
Israelische bezetting
Sinds de bezetting door Israël en vooral sinds de Tweede Intifada (2000 tot heden) is de situatie van boeren op de Westelijke Jordaanoever aanzienlijk verslechterd. Op landbouwgrond wordt door kolonisten gebouwd of deze is door de muur onbereikbaar geworden. Duizenden olijfbomen zijn in de loop der jaren gekapt. Slecht toegankelijke landbouwgrond is voor arbeidsintensieve producten niet meer geschikt, waardoor daar alleen de standvastige olijfbomen overblijven. Bovendien is het onmisbare water uitermate schaars - en als het er is onbetaalbaar.

Afzet van landbouwproducten is door de checkpoints ernstig bemoeilijkt. Palestijnse families uit Israël, Gaza of Jordanië komen niet meer naar de Westelijke Jordaanoever om hun jaarlijkse olijfolievoorraad in te slaan. Dit betekent dat Palestijnse boeren tot voor kort overgeleverd waren aan Israëlische opkopers, die voor één liter olijfolie niet meer dan 7 shekel (bijna 1,5 Euro) betalen, terwijl de kostprijs op minimaal 8 shekel ligt. Voor olijfboeren betekent dat, dat ze alleen voor zichzelf olijven oogstten en ondanks hun verbondenheid, hun bomen verwaarloosden. Andere gewassen verbouwen is nog lastiger. ´Waarom zouden wij tarwe verbouwen als Israel dan meteen goedkope tarwe op de markt dumpt?´ Op de locale markt zie je dan ook vrijwel uitsluitend Israëlische landbouwproducten. De Palestijnse zijn tenslotte veel duurder.
Mochten boeren hun problemen al overwonnen hebben, dan merken zij dat er voor hun producten geen afzetmarkt is. Andere producten zijn goedkoper, eenvoudiger te importeren, voldoen beter aan de westerse normen en zijn inmiddels zelfs beter van kwaliteit. Export loopt bovendien Israel en wordt zo goed als onmogelijk gemaakt. En ... wie zit er te wachten op producten uit een land dat vooral bekend is vanwege geweld en ellende?
Zo zijn de Palestijnse boeren met hun rijke landbouwtraditie langzaamaan afgezakt naar het niveau van een Derde Wereldland. In tegenstelling tot ontwikkelingen in andere landen, verruilen boeren in Palestina hun tractoren voor ezels. Deze kosten minder en kunnen eenvoudiger door de velden en over de heuvels om zo de checkpoints te mijden. De geiten zijn geslacht omdat het noodzakelijke krachtvoer onbetaalbaar is geworden. Geitenvlees moet nu gekocht worden en smaakt niet meer zoals vroeger.
zie ook Mahmoud